Therapie Centrum de Gruijl

Tips (blessure)
Therapie centrum de Gruijl
Directe Toegang Fysiotherapie
Zorgcontracten 2009
Manuele therapie
Sportfysiotherapie
Tips (blessure)
Online screeningsformulier
Manuele Therapie
Ziektebeelden+
KNGF Folders
Nieuws
Links+
Contact
Inschrijven
Inloggen
Site Info
 
 
 

 

 

TIPS (Blessure)

Bron : http://www.daanspanjersberg.nl


De warming-up

Bijna elke sporter doet een warming-up voor zij of hij begint met een activiteit. Tegelijkertijd is een groot gedeelte niet op de hoogte van de effecten van zo'n warming-up. "Blessurepreventie", is een veelgehoord antwoord. Maar waarom dan? En waaruit bestaat een goede warming-up eigenlijk?
Om daar een goed antwoord op te kunnen geven, moeten we ons eerst afvragen, wat een warming-up is.

Een warming- up is een activiteit die het lichaam en de geest voorbereidt op de te leveren prestatie.

Over het algemeen wordt de warming-up ingedeeld in twee groepen:
1) De algemene warming-up: Deze bestaat uit oefeningen die niet specifiek voor een bepaalde sport of activiteit zijn bedoeld. Voorbeelden hiervan zijn een stukje rennen in een rustig tempo, het rekken of losmaken van spieren en algehele bewegingen van het lichaam.
2) De specifieke warming-up: Deze bestaat uit oefeningen die wel specifiek zijn voor een bepaalde sport of activiteit. Bijvoorbeeld het gooien van een bal bij basketbal, het schoppen van een bal bij voetbal, of het schaduwboksen bij een vechtsport.

Voor beide soorten warming-up geldt: Rustig beginnen en langzaam de intensiteit opvoeren. Hoe groter de te leveren prestatie, des te langer duurt de aanloop naar dat prestatieniveau toe, oftewel des te langer de warming-up. Zorg dat je juist díe lichaamsdelen betrekt in je warming-up, die je later gebruikt bij je prestatie.

De warming-up zorgt in het lichaam voor een aantal fysiologische veranderingen die de prestaties positief kunnen beďnvloeden. De belangrijkste op een rijtje:

1) De tijd die spieren nodig hebben om aan te spannen en te ontspannen wordt verkort.
2) De weerstand in de spieren zelf wordt kleiner, met als gevolg dat bewegingen economischer verlopen; energiebesparing.
3) Er vindt een betere afgifte van zuurstof in de spieren plaats (Hemoglobine, de stof die zuurstof in het lichaam vervoert, geeft zuurstof sneller af bij hogere temperaturen).
4) Er vindt een snellere prikkeloverdracht van zenuwen plaats. Ook wordt de stofwisseling van de spieren verhoogd. Dit leidt tot snellere (re)acties.
5) Er vindt lokale vaatverwijding plaats. Hierdoor wordt de bloedtoevoer naar alle weefsels die bij de activiteit betrokken zijn verhoogd.


Bovenstaande processen vinden niet één-twee-drie plaats. Zoals eerder opgemerkt, hoe groter de prestatie, des te langer de aanloop naar dat prestatieniveau toe.
De warming-up moet geleidelijk worden opgevoerd, zodat de lichaamstemperatuur toeneemt, zonder dat je moe wordt of je energievoorraden uitgeput raken.

De warming-up is dan ook heel individueel. Een olympisch zwemkampioen zal een compleet andere warming-up doen dan de recreatieve zwemmer die twee keer in week een paar baantjes trekt. Diezelfde warming-up zou de recreatieve zwemmer immers al volledig uitputten.
Niet alleen getraindheid, maar ook leeftijd heeft invloed op de warming-up. Naarmate de leeftijd toeneemt, zal ook de warming-up meer tijd in beslag nemen. Dit kan veel blessures voorkomen. Een spierscheur is nogal eens het gevolg van een niet goed opgewarmde spier. De spier heeft dan een te hoge spanning, of kan niet snel genoeg aan- en ontspannen.

Neem dus de tijd voor een goede warming-up. Niet alleen voorkom je zo blessures, het verhoogt ook de prestatie die je gaat leveren!


De Runner's Knee


De "Runner's knee" of "Lopersknie" is de populaire naam voor een aandoening die officieel wordt aangeduid met de term "Tractus iliotibialis frictiesyndroom".
De naam Runner's knee is een beetje misleidend omdat deze blessure ook bij andere sporten dan hardlopen kan voorkomen. Ook worden andere klachten rond de knie ook vaak aangeduid met deze term.

    


De Runner's knee is een overbelastingsklacht van de Tractus iliotibialis, een peesplaat (die vanaf een spier komt) aan de buitenzijde van het bovenbeen . Deze klacht komt zowel bij topatleten als bij recreatieve lopers voor en treedt vaker op bij mannen dan bij vrouwen, de oorzaak daarvan kan liggen in het feit dat meer mannen dan vrouwen duursporten beoefenen.


De klacht uit zich in een zeurende of stekende pijn aan de buitenkant van de knie die kan uitstralen naar knieholte of naar de buitenkant van het onderbeen. De klacht kan zich manifesteren in drie stadia:
Stadium I: de pijn wordt gevoeld na de inspanning
Stadium II: de pijn treedt al tijdens de inspanning op
Stadium III: de pijn is constant aanwezig waardoor trainen niet meer mogelijk is.

De klachten verdwijnen door rust, maar als de oorzaak blijft bestaan blijft de sporter last houden van deze aandoening. Mogelijke oorzaken liggen bijvoorbeeld in een te zwaar trainingsschema of treden op na een eenmalige zeer zware inspanning. Ook het lopen op harde ondergrond, in een heuvellandschap of het telkens lopen aan één kant van de (bolle) weg kunnen oorzaken zijn. Verder kunnen versleten loopschoenen van grote invloed zijn op het instandhouden van de klacht, maar ook nieuwe schoenen veroorzaken wel problemen vanwege de verandering van de stand van de voet.

Een meer algemene oorzaak waar vooral heel goed op gelet moet worden is de stand van voeten, benen, en het looppatroon van de sporter. De klacht komt veel voor bij mensen die de voet vooral aan de buitenkant belasten tijdens het lopen. Dit kan je duidelijk zien aan de slijtage op de schoenzool. Het wegnemen van deze oorzaken in combinatie met rust zijn een eerste vereiste voor het verdwijnen van de klachten. Een eventuele correctie van een verkeerde stand van de voet kan opgeheven worden door middel van een zooltje in de schoen.

De sportfysiotherapeut kan de aandoening behandelen met diepe dwarse fricties, het aanpassen van de trainingsbelasting en het opstellen van een gedoseerd trainingsschema daarvoor. Het rekken van deze spier/ peesplaat is ook belangrijk ter voorkoming van deze klacht, omdat de kans op deze blessure groter is naarmate de spier korter en stijver is. Deze oefening kan de sporter ook heel goed thuis doen: De uitgangspositie is zoals op de tekening.

     


Buig nu zover met het bovenlichaam naar één kant, zodat er een lichte rek komt aan de buitenkant van het achterlangs gekruiste been. Hou dit ongeveer 10 seconden vast en wissel van been. Tenslotte zijn het goed opbouwen van de spierkracht in combinatie met het verbeteren van het looppatroon belangrijke factoren die helpen deze blessure in de toekomst te voorkomen.

 


De Jumper's knee


De "Jumper's knee", ook wel "Springersknie" of "Apexitis patellae" genoemd, behoort tot de overbelastings-aandoeningen van de knie en komt regelmatig voor bij takken van sport waar springen en explosieve acties op de voorgrond staan. Voorbeelden hiervan zijn sprinten, ver- en hoogspringen bij atletiek, basketbal, volleybal, en handbal.
Sporters die last hebben van een jumper's knee hebben meestal pijn aan de onderkant van de knieschijf (patella). In sommige gevallen kan er sprake zijn van pijn aan de bovenkant van de knieschijf of voor aan het onderbeeen (tuberositas tibiae).

Deze blessure kan verschillende oorzaken hebben , die vaak met elkaar samenhangen. Allereerst is natuurlijk de soort sport die wordt beoefend van invloed op de aard van de blessure. Verder is het belangrijk goede schoenen te hebben die voor die tak van sport geschikt zijn, met een goede schokdempende werking.
Sporters die de knieën en de voeten verkeerd belasten en sporters die de knieën vaak overstrekken, hebben een verhoogde kans deze blessure op te lopen. Vaak speelt ook mee of iemand een knieschijf heeft die erg "mobiel" is, met andere woorden: een knieschijf heeft die gemakkelijk heen en weer te bewegen is.
De klacht ontstaat geleidelijk en verergert in een zeurende pijn, die wordt gevoeld tijdens de afzetfase, dit kan zowel voor een sprint als voor een sprong zijn. Na de training heeft de sporter vaak last van een stijf gevoel in de knie.

Deze klacht kent diverse stadia:
Stadium 1: Pijn na inspanning
Stadium 2: Pijn aan het begin en einde van de inspanning
Stadium 3: Pijn tijdens en na de inspanning
Stadium 4: Trainen is niet meer mogelijk vanwege de pijn
Stadium 5: Ruptuur van de patellapees


Sporters met een Jumper's knee zullen eerst hun trainingbelasting moeten verminderen, vooral de springvormen met daarbij de overstrekking van de knie. Ook in het dagelijks leven moet kniestrekking zoveel mogelijk worden vermeden. Trainingen als zwemmen, fietsen kunnen als alternatief dienen.
Het versterken van de bovenbeenspieren (quadriceps) is noodzakelijk om deze klacht in de toekomst te voorkomen, hiermee wordt bereikt dat de knieschijf beter beweegt binnen zijn grenzen en de belastbaarheid van spier en pees wordt vergroot.


Een goede warming-up is uiteraard heel belangrijk, waarbij extra aandacht besteed moet worden aan sportspecifieke bewegingen, met name springvormen.
Het rekken van de quadriceps hoort hier ook bij.

Voor een aangepast trainingsschema en het langzaam weer opbouwen van de training speelt de sportfysiotherapeut een belangrijke rol.
Tenslotte moet ook worden gekeken naar hoe de sporter zijn knieën en voeten belast tijdens de trainingsactiviteit. Bij verkeerde belasting moet dit worden gecorrigeerd, ook hierbij kan de sportfysiotherapeut adviezen geven.


De tenniselleboog

De naam tenniselleboog doet vermoeden dat het een blessure betreft die uitsluitend voorkomt bij tennissers. Dit is echter niet het geval. Ook zonder te tennissen kun je deze blessure oplopen. Wat is nu precies een tenniselleboog? Hoe kun je deze oplopen? En wat kun je eraan (laten) doen ter genezing en ter preventie?

De medische benaming voor een tenniselleboog is epicondylitis lateralis. Dit wil zeggen dat er sprake van een irritatie of een ontsteking aan het buitenste botstuk van de elleboog

Bij een gebogen elleboog kun je drie uitstekende botstukken voelen, één in het midden en twee aan weerszijden. Aan de binnenste knobbel hecht een aantal pezen van de onderarm aan.
Dit zijn de pezen van de spieren die de pols en vingers buigen. Aan de buitenste knobbel hechten de pezen aan van de spieren die de pols en de vingers strekken. Deze strekspieren krijgen veel trekkrachten te verduren tijdens bijvoorbeeld een potje tennis. Maar ook met een schroevendraaier werken, of een dop van een fles afdraaien kan erg belastend zijn voor deze spiergroep.

Als deze spiergroep wordt overbelast, raakt vooral de plaats waar de pezen aan het bot vasthechten geďrriteerd. Bij tennis is zo'n overbelasting vaak het gevolg van een verkeerde slagtechniek of verkeerd materiaal (bijvoorbeeld een te groot of een te klein handvat).

Het eerste wat je moet doen als je last hebt van een tenniselleboog is rust nemen. Doe geen dingen waardoor de pijn in de elleboog opkomt of verergert. Dit kan betekenen dat je zelfs geen handen mag schudden!
Vervolgens is het raadzaam om een bandage aan te schaffen, speciaal gemaakt voor een tenniselleboog. Dit is in feite niets anders dan een bandje om je arm, die druk uitoefent op het buitenste botstuk. Hierdoor worden de trekkrachten op dat botstuk verminderd. Als je erg veel pijn hebt, kun je de pijnlijke plek behandelen met ijs. Niet langer dan 15 minuten en niet het ijs direct op de huid doen, want dat kan brandplekken geven.


Verder zul je alle spieren van de onderarm moeten gaan rekken. Dit kun je doen door je polsen zo ver mogelijk te buigen en te strekken, terwijl je de elleboog gestrekt houdt.
Wanneer je weer pijnvrij kunt bewegen, is het belangrijk dat je deze spieren ook gaat versterken. Dit kan op een vrij simpele manier, bijvoorbeeld door in een balletje te knijpen.
Het is dan wel belangrijk dat je voorzichtig begint en de kracht die je uitoefent langzaam opvoert. Bij een te snelle opvoering van de belasting kan de klacht in alle hevigheid terugkomen.
Als de spieren weer goed belastbaar zijn, kun je alles weer doen, ook tennissen. Laat dan wel door een professioneel persoon je slagtechniek verbeteren of je materiaal aanpassen.

Als de klachten niet minder worden, maar hetzelfde blijven of erger worden, neem dan contact op met een arts. Deze zal je in de meeste gevallen doorverwijzen naar een fysiotherapeut. Deze kan door middel van fricties ( een vorm van massage, waarbij de doorbloeding van de pees wordt verbeterd) en een oefenprogramma vaal de blessure verhelpen.

Bij een hele hardnekkige klacht kan er eventueel door de arts een ontstekingsremmer rond de aanhechting van de pezen worden ingespoten. Dit heeft echter wel gevolgen voor de kwaliteit van het weefsel, dus dit moet met de nodige terughoudendheid worden toegepast.


Achillespeesontsteking

Achillespeesontsteking is een veel voorkomende overbelastingsklacht, die veel voorkomt in sporten waarbij veel explosieve- en sprongbewegingen voorkomen. De achillespeesontsteking ontstaat meestal niet acuut, maar de sporter heeft vaak al langer last van deze klacht die in ernst toeneemt.
In het eerste stadium heeft de sporter alleen last van zeurende pijn, vermoeidheid en stijfheid na zware inspanning. In een latere fase krijgt de sporter ook last van startpijn die verdwijnt na de warming-up.

Worden deze klachten genegeerd dan zal de pijn zich ook in het dagelijks leven manifesteren en steeds meer verergeren. Dit kan zelfs ontaarden in een gehele of gedeeltelijke ruptuur (scheur) van de achillespees. Naast de bovenstaande klachten is er ook sprake van een pijnlijke en gezwollen achillespees en rekpijn. Ook deze klachten verergeren naarmate de klacht langer duurt.

Er zijn verschillende oorzaken aan te wijzen voor het ontstaan van een achillespeesontsteking, vaak hebben die met elkaar te maken.
Zoals gezegd is de achillespeesontsteking een overbelastingsklacht, dus mogelijke oorzaken kunnen liggen in:

1. Een te snelle opbouw van training, bijvoorbeeld aan het begin van het trainings-seizoen of na een blessure of ziekte.
2. De achillespees heeft te weinig kracht om de (verhoogde) belasting aan te kunnen.
3. Verandering van de bodem waarop men traint.
4. Slechte schoenen met te weinig steun of een verkeerde voetbelasting

Verminderen van de training ( vooral ontlasten van de achillespees), is een eerste vereiste voor genezing. Onder begeleiding van de sportfysiotherapeut kan de sporter een trainingsprogramma volgen waardoor de kuitmusculatuur wordt versterkt en de achillespees wordt ontlast. Daarbij horen ook voorzichtige rekkingsoefeningen voor de kuit en pees en uiteindelijk coördinatie oefeningen, gericht op de specifieke tak van sport.
Als er sprake is van een verkeerde voetbelasting dan kan het looppatroon worden verbeterd, eventueel in combinatie met een inlegzool.

Soms kunnen er behandelingen nodig zijn die ervoor zorgen dat de ontstekingsreactie vermindert, hierbij kan men denken aan het inbrengen van medicijnen met stroomvormen. Ook kan het nodig zijn dat de sportfysiotherapeut de beweeglijkheid van de enkel mobiliseert. Zelfs een probleem in de rug kan leiden tot achillespeesontsteking, hierbij staat dan eerst de behandeling van de rug centraal. Deskundige hulp van de sportfysiotherapeut is hier dus ook noodzakelijk.

Maar ook voor deze klacht geldt: "voorkomen is beter dan genezen" en daarom moet men altijd zorgen voor een goede warming-up en cooling-down met rekkingsoefeningen. Zorg verder voor een geleidelijke trainingsopbouw, zeker na een rustperiode of blessure. Indien mogelijk moet men altijd proberen te trainen op een niet te harde ondergrond en te zorgen voor goede schoenen met voldoende steun.


Schouderinstabiliteit


Wat is schouderinstabiliteit?

Deze schouderaandoening komt vrij vaak voor bij die sporten, waar sprake is van herhaalde, zeer snelle schouderactiviteiten, zoals werpen of zwemmen.
Om te begrijpen wat de oorzaken kunnen zijn, is het belangrijk om eerst enigszins te weten hoe een schouder in elkaar zit.

De bovenarm zit met zijn kop in de kom onder het schouderdak. De kom omsluit maar gedeeltelijk de kop van de onderarm. Om te voorkomen dat de kop van de bovenarm uit de kom schiet, zit er een ring van kraakbeen aan de rand van de kom. Deze maakt de ruimte van de kom als het ware wat dieper, zodat de kop goed wordt omsloten en er niet uit kan vallen. Deze ring wordt het labrum genoemd.
Vervolgens loopt er een aantal banden over het schoudergewricht.

Deze banden worden ligamenten genoemd. Deze zijn afwisselend gespannen dan wel ontspannen, afhankelijk van de stand van de schouder. Zo is er in elke stand van de schouder wel een aantal ligamenten gespannen. Dit draagt bij aan de stabiliteit van de schouder.
Het labrum en de ligamenten zorgen voor passieve stabiliteit. Het labrum en de ligamenten kun je namelijk niet aanspannen of ontspannen.
Ten slotte lopen er spieren over het schoudergewricht. Zij zorgen niet alleen voor het bewegen van de schouder, maar zij leveren ook een bijdrage aan het stabiliseren van de schouder. Door het aanspannen van deze spieren wordt de kop namelijk goed in de kom gefixeerd. Dit wordt actieve stabiliteit genoemd.

Een schouderinstabiliteit kan ontstaan als een van de eerder genoemde structuren beschadigd raakt.
Het is ook mogelijk dat al bij de geboorte een aantal structuren te los zit, waardoor er instabiliteit kan ontstaan.
Bij sporten als zwemmen en werpen kunnen er herhaaldelijk kleine beschadigingen in het labrum of de ligamenten optreden, ook kunnen de ligamenten herhaaldelijk worden uitgerekt, waardoor ze langzamerhand hun stabiliserende functie verliezen. Dit verrekken kan ook in één keer gebeuren, bijvoorbeeld na een val op de schouder of arm.

Andere oorzaken zijn een verstoord spierevenwicht, of een slechte coördinatie.
Bepaalde spieren kunnen verzwakt zijn, of spannen niet op het juiste moment aan.
Ten slotte kan een schouderinstabiliteit ontstaan naar aanleiding van een bewegingsbeperking in de rug. Als er een aantal wervels niet meedraait met het maken van een werpbeweging of een borstcrawl, moet de schouder extra hard werken om toch de juiste bewegingsuitslag te halen. Ook dan ontstaat er een bovenmatige rek op de stabiliserende structuren van de schouder.

Wat kun je eraan (laten) doen?

De therapie bestaat in eerste instantie uit het verminderen of vermijden van activiteiten waarbij je de klacht provoceert. Er kan dan wel worden begonnen met een oefenprogramma. Dit oefenprogramma bestaat uit het versterken van de spieren rondom de schouder. Bovendien moeten de spieren leren aanspannen op de juiste manier én op het juiste moment. Dit gebeurt door middel van coördinatieoefeningen. De spieren zorgen dan uiteindelijk voor actieve stabiliteit, ook al is de passieve stabiliteit verminderd. Indien nodig worden de wervels in de rug gemobiliseerd.
Als blijkt dat een oefenprogramma onvoldoende resultaat heeft, kan besloten worden de passieve stabiliteit van de schouder te vergroten. Dit gebeurt door middel van een operatie, waarbij een aantal structuren worden ingekort. Dit is echter geen lichte ingreep en moet alleen overwogen worden als het oefenprogramma onvoldoende effect heeft.


Liesblessures

Liesblessures kunnen vele oorzaken hebben. Vaak betreft het een overbelastingsklacht van de spieren en pezen die aanhechten in de lies, die kan leiden tot een ontstekingsreactie (tendinitis). Maar ook een gehele of gedeeltelijke spierscheur (ruptuur) kan leiden tot klachten in de lies.

De spiergroepen die de oorzaak zijn van deze klachten zijn:

1. De spieren die het been naar binnen bewegen (adductoren)

2. De spieren die de heup buigen (iliopsoas en rectus femoris)

3. De rechte en schuine buikspieren

Overbelastingsblessures komen vaak voor bij teamsporten zoals voetbal en hockey, maar ook atletiek (lange afstand lopen, hordenlopen, hoogspringen) en schaatsen zijn takken van sport waar relatief veel liesblessures voorkomen.

Liesklachten die het gevolg zijn van overbelasting komen voor in verschillende gradaties:

Graad 1: Pijn treedt op na sportbeoefening, startpijn/ stijfheid ’s ochtends.

Graad 2: Pijn bij warming-up en in verloop van sportbeoefening

Graad 3: Pijn is voortdurend aanwezig tijdens sportbeoefening

Graad 4: De pijn is in het dagelijks leven voortdurend aanwezig.

De eerste maatregel die genomen wordt is het verminderen van de trainingsbelasting; de mate waarin dit gebeurt is afhankelijk van de ernst van het letsel. De sportfysiotherapeut kan helpen met het opstellen van een gedoseerd trainingsprogramma en de aandoening behandelen met diepe dwarse fricties. Ook het rekken van de spieren in de lies en het versterken van de buikspieren maken deel uit van de behandeling. Het opbouwen van de kracht en sportspecifieke oefeningen is in een later stadium van de behandeling aan de orde.

Wanneer de liesklachten het gevolg zijn van een ruptuur, ligt de oorzaak in een plotselinge beweging zoals een sliding of draaibeweging bij voetbal. Hierbij voelt de sporter een plotselinge pijnscheut in de lies, waarna er stekende pijn in combinatie met zwelling en verkleuring optreedt.

Na de eerste noodzakelijke hulp (ijs en totale rust), is voor een goed herstel weer de hulp van een sportfysiotherapeut noodzakelijk. Naast het voorzichtig rekken van de spier en behandelen met diepe dwarse fricties, wordt er begonnen met een oefenprogramma voor het spierherstel, waarbij een goede opbouw uiteraard belangrijk is.

De sportfysiotherapeut kan ook adviseren in het nemen van preventieve maatregelen. Een goede warming-up met rekkingsoefeningen, samen met een goede getraindheid van spiercoördinatie, lenigheid en kracht zijn zinvol om deze klachten in de toekomst te voorkomen.


Inversietrauma

Bijna iedereen gaat wel eens “door zijn enkel”. Wanneer dit gebeurt en je voet klapt naar binnen, spreekt men van een inversietrauma.

Vaak voelt men pijn aan de buitenkant van de enkel, de enkel wordt dik en lopen wordt pijnlijk en soms zelfs onmogelijk.

Wat is er nu aan de hand?

Allereerst moeten we begrijpen hoe een enkel is opgebouwd:

De enkel bestaat uit twee gewrichten, het bovenste spronggewricht en het onderste spronggewricht, ofwel articulatio talocruralis en articulatio subtalaris/talocalcaneonavicularis.

Het bovenste spronggewricht bestaat uit het scheenbeen (tibia), het kuitbeen (fibula) en het sprongbeen (talus).

Het onderste spronggewricht bestaat uit twee delen, een voorste deel (talocalcaneonavicularis) en een achterste deel (subtalaris). Het voorste deel is het gewricht tussen het sprongbeen (talus), het hielbeen (calcaneus) en het bootvormig been (naviculare).

Het achterste deel is een gewricht tussen het sprongbeen (talus) en het hielbeen (calcaneus).

Er lopen een aantal banden over deze gewrichten, deze worden ligamenten genoemd.

Deze banden zijn vrij stug, maar bezitten enige rekbaarheid. Ze kunnen niet worden aangespannen, dit in tegenstelling tot spieren.

Deze ligamenten laten bepaalde bewegingen tussen de gewrichten toe en verhinderen juist andere bewegingen.

Wanneer je de enkel naar binnen buigt, komen de ligamenten aan de buitenkant op rek en remmen zo de beweging. Wanneer je de enkel naar buiten buigt, komen juist de binnenste ligamenten op rek.

Wanneer je echter “door je enkel gaat”, worden de ligamenten zó ver opgerekt dat ze kunnen verrekken, of zelfs scheuren. Dit scheuren kan betekenen, dat er een klein scheurtje in één of meerdere ligamenten ontstaat, maar er kunnen ook ligamenten compleet afscheuren.

Ook kunnen de gewrichten beschadigd of geblokkeerd zijn.

Het inversietrauma kent dus meer gradaties, variërend van licht tot ernstig.

Wanneer je door je enkel bent gegaan, is het voor een leek niet zo eenvoudig om vast te stellen hoe ernstig de situatie is. Hier volgen enkele tips over hoe te handelen bij een acuut inversietrauma:

Rust: Ga niet steunen op de aangedane enkel, wanneer dat pijn doet. Stop met de activiteit waarmee je bezig was.

IJs: Door zo snel mogelijk de enkel te koelen, kun je voorkomen dat de enkel erg dik wordt. Bovendien vermindert het de pijn. Mocht je geen ijs voorhanden hebben, dan kun je de enkel ook onder de koude kraan houden. Koel de enkel een kwartier tot twintig minuten (koud water mag tot een half uur). Doe het ijs nooit direct op de huid, dit kan brandwonden veroorzaken.

Compressie: Door een compressieverband aan te leggen voorkom je wederom dat de enkel dik wordt.

Hoogleggen: Leg de enkel hoog neer (bijvoorbeeld op een kussen), zodat het bloed -onder invloed van de zwaartekracht- de neiging heeft in de richting van het hart te stromen. Ook nu voorkom je zwelling en bevorder je de afvoer van de zwelling.

Als er na een aantal dagen geen verbetering optreedt, of als je twijfelt aan de ernst van het inversietrauma, neem dan contact op met een arts. Deze kan je doorverwijzen naar bijvoorbeeld een sportfysiotherapeut. Die kan de enkel onderzoeken en kijken welke structuren allemaal aangedaan zijn. Aan de hand van de gegevens die verkregen zijn bij het onderzoek, kan dan begonnen worden met de therapie. Die kan bestaan uit het frictioneren (= een soort massage ter bevordering van het herstel) van de aangedane ligamenten. Ook kunnen de gewrichten worden gemobiliseerd. Vervolgens kan er begonnen worden met een oefenprogramma. Dit oefenprogramma bestaat onder andere uit coördinatieoefeningen voor de enkel.

Ten slotte kan de enkel in sommige gevallen worden ingetaped , zodat er nog met de enkel kan worden gesport of gelopen.

 

Bron : http://www.daanspanjersberg.nl